Ik was zes jaar oud en logeerde bij mijn opa en oma. Ik werd wakker van stemmen beneden. Niet luid. Niet paniekerig. Maar anders dan anders. Mijn opa en oma waren altijd stil als ik bleef slapen. Nu hoorde ik deuren, voetstappen en het zachte geluid van mensen die probeerden niet hardop te praten. Ik stapte uit bed en liep de trap af. Mijn opa stond al aangekleed in de woonkamer. Mijn oma kwam uit de gang met haar jas in haar hand. Ik vroeg wat er aan de hand was. Ik weet niet meer wat ze antwoordden. Alleen dat niemand echt antwoord gaf.
Even later zaten we in de auto. Buiten was het donker. De straatlantaarns wierpen gele kringen op het natte asfalt. Ik zat achterin en keek tussen de voorstoelen door naar voren. Mijn opa reed. Mijn oma zat naast hem. Af en toe werd er iets gezegd, maar zacht genoeg dat ik het niet kon verstaan. Niemand vertelde wat er gebeurd was. Toch wist ik dat er iets mis was.
Het ziekenhuis was fel verlicht. Achter de glazen deuren liepen mensen rond die leken te weten waar ze moesten zijn. Mijn oma pakte mijn hand en liep met me mee naar binnen. Bij een trappenhuis vroeg ik waarom we niet gewoon de lift namen. Ze zei dat de trap sneller was. We liepen omhoog. Ik weet niet meer hoeveel verdiepingen. Wel herinner ik me de grijze treden, de metalen leuning en de echo van onze voetstappen tussen de muren.
Ergens op de weg omhoog begonnen mijn ogen te branden. Ik wist nog steeds niet wat er aan de hand was. Niemand had iets gezegd. Toch voelde ik iets in mijn borst en keel waar ik geen woorden voor had. Ik knipperde een paar keer hard achter elkaar en keek naar mijn oma. Ik herinner me dat ik haar vroeg: “Mag ik wel huilen?”. Ze onderbrak haar weg omhoog en keek naar me, kneep zacht in mijn hand en zei:“Ja, natuurlijk.”
Ik knikte en daarna liepen we verder omhoog. Mijn ogen brandden nog steeds, maar ik huilde niet. Zo’n dertig jaar later zat ik opnieuw in een ruimte waar iedereen wist dat er iets aan de hand was, maar niemand leek te weten hoe het gezegd moest worden.